Wie door het Grote Oost loopt en naar de gevels kijkt, ziet welvaart uit een periode waarin een stad van deze omvang wereldwijd handelde. Hoorn was een van de zes steden met een eigen kamer van de Verenigde Oostindische Compagnie, en dat verklaart de omvang en de rijkdom van wat er nog staat.
Wat een kamer was
De VOC was geen bedrijf met een hoofdkantoor maar een verbond van zes kamers, in Amsterdam, Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. Elke kamer rustte eigen schepen uit, wierf eigen bemanning, had eigen pakhuizen en werven en kreeg een vast aandeel in de handel. Voor Hoorn betekende dat werk, kapitaal en aanzien, en het bracht de stad in het centrum van een handelsnetwerk dat tot Aziƫ reikte.
Waar je het in de stad ziet
De sporen zijn nog goed te vinden.
- Het Oost-Indisch Pakhuis, het bewaard gebleven VOC-pakhuis in de binnenstad.
- De koopmanshuizen aan het Grote Oost en aan de kades, gebouwd met het geld van de handel.
- Het Westfries Museum, waar objecten uit de VOC-tijd worden getoond.
- De havens zelf, waarvan de indeling teruggaat op de tijd dat hier grote schepen lagen.
- Straatnamen en gevelstenen die naar handel, scheepvaart en verre bestemmingen verwijzen.
De mannen die de stad bekend maakten
Twee namen komen steeds terug. Willem Cornelisz Schouten voer in 1616 als eerste om de zuidpunt van Zuid-Amerika en noemde die kaap naar zijn geboortestad, Kaap Hoorn. En Jan Pieterszoon Coen, geboren in Hoorn in 1587, werd gouverneur-generaal van de VOC en stichtte in 1619 Batavia. Beiden hebben in Hoorn een plek, Schouten in de verhalen en op de kaart, Coen als standbeeld op de Roode Steen.
De andere kant van het verhaal
De rijkdom van de VOC-steden kwam ergens vandaan. Het handelsmonopolie werd met geweld afgedwongen, en het optreden van Coen op de Banda-eilanden geldt als een van de zwartste bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis. In Hoorn wordt daar al jaren over gesproken, met discussies over het standbeeld en met een tekstbord dat bij het beeld is geplaatst om die geschiedenis te benoemen. Het museum besteedt er in zijn presentatie eveneens aandacht aan.
Wat de handel de stad opleverde
Hoorn groeide in de zeventiende eeuw hard. Er kwamen werven, touwslagerijen, pakhuizen en zeilmakerijen, en er kwam kapitaal dat in stenen huizen werd omgezet. Dat is de reden dat de binnenstad zo’n samenhangend beeld heeft. Vrijwel alles wat er nu staat, is in een betrekkelijk korte periode gebouwd, door mensen die hun geld op dezelfde manier verdienden.
De neergang
In de achttiende eeuw liep het terug. Amsterdam werd steeds dominanter, de Zuiderzee slibde dicht en het aandeel van de kleinere kamers nam af. Hoorn werd weer een regionale stad, met de landbouw en de veemarkt als voornaamste bron van inkomsten. Paradoxaal genoeg is dat de reden dat de binnenstad zo goed bewaard is gebleven. Er was eeuwenlang geen geld om te slopen en opnieuw te bouwen.
Zelf op zoek
Wie het verleden wil zien, begint bij het Westfries Museum en loopt daarna langs het Grote Oost, de havens en het Oostereiland. Vereniging Oud Hoorn, gevestigd in het Oost-Indisch Pakhuis, publiceert over de geschiedenis van de stad en organiseert wandelingen. Voor wie hier woont, verandert dat het beeld van de eigen straat, want de meeste panden dragen hun geschiedenis gewoon aan de buitenkant.
Wat de stad ervoor terugkreeg
Naast panden en kapitaal leverde de handel de stad ook kennis en netwerken op. Er waren werven, zeilmakerijen en touwslagerijen, en er woonden mensen die op de andere kant van de wereld waren geweest. In een stad van deze omvang was dat uitzonderlijk. Dat verklaart ook waarom er in Hoorn zoveel journalen, kaarten en reisverslagen zijn ontstaan, waarvan er een aantal in het museum bewaard is gebleven.
Rondleidingen en wandelingen
Er worden in de binnenstad wandelingen gegeven die specifiek langs de VOC-geschiedenis voeren, langs de pakhuizen, de kades en de panden van de kooplieden. Voor wie het verhaal liever hoort dan leest, is dat de prettigste route. En het is een van de weinige manieren om binnen te komen in gebouwen die verder niet toegankelijk zijn.


